Gezamenlijke verklaring: versterking van samenwerking op het vlak van toezicht op inlichtingendiensten

De samenwerking tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is sterk toegenomen, wat heeft geleid tot een intensievere gegevensuitwisseling tussen diensten van verschillende landen. Dit geldt met name voor de afgelopen jaren, waarin de dreiging van het jihadistisch terrorisme steeds complexer en meer wijdverspreid werd en terroristische groeperingen en personen verschillende aanvallen op Europese bodem uitvoerden.

De toegenomen internationale gegevensuitwisseling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten brengt uitdagingen met zich mee voor nationale toezichthouders. Het toezicht op de internationale uitwisseling van inlichtingen is strikt nationaal. Omdat het nationale toezicht geen grenzen kan overschrijden, kan het slechts één kant van de gegevensuitwisseling beoordelen. Toezichthouders zouden moeten kunnen samenwerken bij het toezicht op de beide kanten van de internationale gegevensuitwisseling, maar zij worden beperkt door nationale regels inzake geheimhouding. Ook vinden toezichthouders het steeds ingewikkelder de ontwikkelingen van de inlichtingengemeenschap gericht op het sneller en effectiever uitwisselen van gegevens effectief te volgen. Deze en andere uitdagingen kunnen het risico op een ‘toezichthiaat’ meebrengen.

De toezichthouders van België, Denemarken, Nederland, Noorwegen en Zwitserland werkten samen teneinde het risico op een toezichthiaat te verkleinen. Er werd besloten om in elk deelnemend land een nationaal onderzoek uit te voeren naar de internationale uitwisseling van gegevens over (vermeende) jihadisten tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zij kwamen de afgelopen drie jaar regelmatig samen om methoden, best practices, juridische en praktische problemen te bespreken en de ervaringen in de nationale onderzoeken uit te wisselen. Er konden daarbij geen vertrouwelijke gegevens worden gedeeld.

In deze gezamenlijke verklaring wordt aangegeven welke verdere stappen de toezichthouders zouden moeten zetten. Om het risico op een toezichthiaat te verkleinen moet de samenwerking tussen toezichthouders versterkt worden. Een waardevolle en noodzakelijke stap naar een nauwere samenwerking op het gebied van toezicht is het verminderen van de verplichte geheimhouding tussen toezichthouders. Zodra gegevens door inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn uitgewisseld, hoeven de toezichthouders niet achter te blijven. Ook zij moeten vervolgens de uitgewisselde gegevens kunnen bespreken. Een andere stap voorwaarts is de ontwikkeling van nieuwe juridische en technische toezichtmethoden, met het oog op de beoordeling van de internationale gegevensuitwisseling en het bestaan en de werking van gemeenschappelijke waarborgen voor de bescherming van fundamentele rechten.

De toezichtsorganen van België, Denemarken, Nederland, Noorwegen en Zwitserland zullen hun aanpak voortzetten om de uitdagingen voor het toezicht op de internationale gegevensuitwisseling op te pakken. Zij nodigen toezichthouders uit andere landen uit hieraan deel te nemen.