Toezichtsrapport 72 over de inzet van bijzondere bevoegdheden ter ondersteuning van een goede taakuitvoering van de AIVD en de MIVD (2021)

Op 9 oktober 2019 heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) aangekondigd onderzoek te gaan verrichten naar de inzet van bijzondere bevoegdheden ter ondersteuning van een goede taakuitvoering van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Het daaruit voortvloeiende toezichtsrapport nr. 71 is gepubliceerd op 15 april 2021.

Het toezichtsrapport richt zich op een onderdeel dat nieuw is in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017, namelijk de mogelijkheid voor het inzetten van bijzondere bevoegdheden ter ondersteuning van een goede taakuitvoering van de AIVD en de MIVD. Het kan daarbij gaan om een beoordeling omtrent de noodzakelijkheid van het treffen van bijzondere veiligheidsmaatregelen voor een dienstmedewerker of ander persoon die werkzaam is ten behoeve van de diensten. Of om betrouwbaarheidsonderzoek te doen naar een bron.

De wetgever heeft voor de inzet van deze bijzondere bevoegdheden ter ondersteuning van de taakuitvoering aanvullende waarborgen in de wet opgenomen. Deze waarborgen zijn, kort gezegd, toestemming door de betrokken minister, een verkorte toestemmingsperiode van vier weken en het vereiste dat de diensten terstond een melding aan de CTIVD doen van de door de betrokken minister verleende toestemming.

De CTIVD heeft onderzocht of de AIVD en de MIVD in de onderzoeksperiode (mei 2018 - november 2019) deze bijzondere bevoegdheid, neergelegd in artikel 28 lid 2 Wiv 2017, rechtmatig hebben toegepast en of zij hebben voldaan aan de plicht tot het melden uit artikel 30 lid 1 Wiv 2017.

De CTIVD concludeert dat de beide diensten in de onderzoeksperiode in de door de CTIVD onderzochte gevallen artikel 28 lid 2 rechtmatig hebben toegepast. Zowel de AIVD als de MIVD heeft in twee gevallen een bijzondere bevoegdheid ingezet zonder deze inzet op grondslag van artikel 28 lid 2 te baseren, terwijl deze grondslag in de beoordeling van de CTIVD wel van toepassing was. De inzet van de bevoegdheden was in deze gevallen desalniettemin rechtmatig, omdat deze voldeed aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en gerichtheid.

De AIVD heeft in de onderzoeksperiode 57 van de 98 toestemmingsverleningen in het kader van artikel 28 lid 2 Wiv 2017 niet aan de CTIVD gemeld en daarmee de meldplicht van artikel 30 lid 1 Wiv 2017 niet nageleefd. De diensten hebben beide tweemaal bevoegdheden op basis van de onjuiste wettelijke grondslag ingezet. Daardoor zijn de wettelijke waarborgen van artikel 30 lid 1 Wiv 2017, waaronder de meldplicht, niet nageleefd. Het niet toepassen van alle waarborgen van artikel 30 lid 1 Wiv 2017 is naar het oordeel van de CTIVD onrechtmatig. Buiten de twee voornoemde gevallen heeft de MIVD aan de meldplicht voldaan door zes verleende toestemmingen aan de CTIVD te melden.

Rapport nr. 72 heeft de volgende bijlagen: opzet en methodiek (bijlage I), toetsingskader (bijlage II) en een begrippenlijst (bijlage III). Het rapport heeft geen geheime bijlage.

De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie hebben op 15 april 2021 CTIVD-rapport nr. 72 naar de Tweede Kamer gezonden, inclusief een aanbiedingsbrief.

Onderzoek

Inzet van bijzondere bevoegdheden ter ondersteuning van een goede taakuitvoering