De Commissie heeft onderzocht of de MIVD de afluisterbevoegdheid uit artikel 25 Wiv 2002 op rechtmatige en zorgvuldige wijze heeft toegepast.
Aanleiding voor dit onderzoek
De Commissie is van oordeel dat de inzet van de afluisterbevoegdheid een belangrijk onderwerp voor toezicht is omdat deze bevoegdheid een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen maakt. De MIVD zet de afluisterbevoegdheid echter op relatief bescheiden
schaal in. Daarom is de Commissie in de afgelopen jaren geen (terugkerend) diepteonderzoek naar dit onderwerp bij de MIVD gestart, zoals dit bij de AIVD wel is gebeurd. Vanwege het belang van het onderwerp heeft de Commissie besloten een kortlopend onderzoek bij de MIVD te verrichten over de
periode juni 2013 t/m juni 2015.
Algemeen beeld
De Commissie constateert dat de MIVD doorgaans doordacht te werk gaat bij de inzet van de afluisterbevoegdheid. De MIVD is zich in de praktijk bewust van het inbreukmakende karakter van de inzet ervan. De MIVD zet in de grote meerderheid van de operaties de afluisterbevoegdheid op een
rechtmatige en zorgvuldige wijze in. De kritische kanttekeningen van de Commissie hebben betrekking op een beperkt aantal van de door haar onderzochte operaties.
(...)
(...)
Volledige inhoud van het rapport
Een volledige beschrijving van het onderzoek van de CTIVD vindt u in toezichtsrapport 47 over de inzet van de afluisterbevoegdheid door de MIVD.